zaterdag 26 september 2009

Autistisch gedrag en eenzame feestjes

Ik kwam vorige week terug uit Frankrijk. En werd begroet met een krappe, benauwde kamer, een overvolle inbox met: ‘doe dit, reageer hierop, doe dat, reageer daarop, laat eens wat van je horen, ga je mee dit doen, ga je mee dat doen’. Deze informatie nog half verwerkend, rende ik naar de grachten om met bierflesjes in mijn hand AEGEE te vertegenwoordigen op een rondvaartboot. Al hossend en half bezopen terug op mijn kamer. O, in mijn inbox: nog meer gezeur aan mijn kop en voor wie e-mailen niet kent (familie) gemiste oproepen en sms’jes. Ik heb hier en daar een berichtje met een vage belofte teruggestuurd. Om de volgende ochtend alweer op het Neude verschijnen om nog meer AEGEE te vertegenwoordigen. Blijven glimlachen en kindjes die kijken of ze de hele wereld aankunnen aangesproken: “of ze geen interesse hadden in reizen en AEGEE?”. Ondertussen had ik ergens beloofd naar mijn broertjes verjaardag te komen en een dagje op de camping te blijven (Zuidlaren). Dus in mijn AEGEE tenue de stad letterlijk doorgerend om cadeautjes te zoeken, foto's te maken van potentiële aegee'ers, lieve vriendinnetjes in de armen vallen die ik zo graag wilde spreken, maar met de chaos in mijn hoofd ik niet veel meer kon bedenken dan: ‘hoooi..’.
Om half 4 kwam ik thuis met een verhit hoofd en om half 4 werd ik opgehaald door mijn tantes. Alles wat in bereik lag heb ik in mijn backpack geveegd, wat er niet in paste in mijn handtas.

In de twee uur dat de autorit naar Zuidlaren duurde, kon ik alles eens overdenken.
Dit was niet de bedoeling. Colleges nog niet begonnen, geen werk en geen kinderen, en toch al het gevoel dat ik lichtelijk overspannen ben en mensen tekort doe om mij heen.
Daar moest verandering in komen. Ik had nog drie interraildagen over en trok de lijn, die ik dat moment naar het noorden aan het volgen was, door naar Denemarken. 2 Daagjes met mijn lieve broer op de camping gestaan en toen donderdagochtend vroeg vertrokken met de trein naar het noorden. Geen plan, alleen een einddatum: zondag, en een hoop boeken, muziek en mijn gedachten.

In de trein kwam ik al snel meer interrailers tegen die het nodig vonden om te socializen. Ik vond dat niet nodig. Dus als een soort autistische zombie zette ik muziek op en bleef hardnekkig uit het raam staren: alle blikken om mij heen die smachtten om een praatje, negerend.Op een gegeven moment zat ik 8 uur in de trein, begon de zon door te komen en stopte de trein. En ik dacht: hier stap ik uit.
En dat deed ik dus.

Op het station, of laat ik het ‘een stop in het weiland’ noemen, kwam ik erachter dat ik geen Deens sprak, geen idee had of er campings waren hier en dat ik geen Kroon op zak had.
Maar gelukkig heeft de mens een aangeboren kudde-eigenschap. Dus ik ben achter 2 andere backpackers aangesjokt, de bus in gestapt en op een gegeven moment bij een prachtige camping aan zee weer uitgestapt.
De twee backpackers bleken een klef stelletje te zijn, door de pijnlijke confrontatie met wat ik was en niet meer ben, straalde ik waarschijnlijk een nog autistischer persoonlijkheid uit, dus zij zetten hun tent op aan de andere kant van de camping en ik heb ze niet weer gezien.

Ik stond dus alleen op mijn veldje, inclusief picknicktafel en uitzicht op zee. Al zingend begon ik mijn tent op te zetten, toen mijn innerlijke rust alweer werd verstoord door een roodverbrande Deen met stekeltjes in een te strak fietspakje. Ik paste mijn ‘ik ben sociaal-niet-in-orde-strategie’ weer toe en begon al neuriënd heel hard de andere kant op te kijken. Maar mijn nieuwsgierigheid kon ik ook niet bedwingen, dus wierp ik terloopse blikken naar zijn kant. Hij was een jaar of 25, had voortdurend een vriendelijke grijns op zijn gezicht en was ontzettend klungelig zijn tentje aan het opzetten. Okee, ik gaf mijn sociale stoornis hierbij op, want klungelige mensen kon ik nog net wel uitstaan in deze dagen om tot mijzelf te komen.

Kenneth heet hij. Werkloos, net afgestudeerd in ontwikkelingsstudies en vrijwilligerswerk gedaan in Afrika. Om niet in een depressie te komen heeft hij zichzelf doelen gesteld, waarvan er één was om in zijn eentje een rondje Denemarken te fietsen.
Mijn vertrouwen in de mensheid steeg weer een stapje.
Hij ging douchen, ik ging nog even een stuk langs de kust lopen. Daar kwam ik langs een LIDL en dacht: laat ik dit succes, mijn aankomst in een nieuw land, gaan vieren. Dus chips en wijn gekocht. Ik houd van feestjes waarbij ik de gastvrouw en tevens enige gast ben.

Toen ik terugkwam werd mijn heugelijke vooruitzicht op mijn eenzame feestje verkracht door de Deen die nog steeds om zijn tent zat te drentelen.
Nee hè. Moet ik beleefd vragen of hij ook een wijntje wil. Dus ben ik in mijn tent gekropen om wijn in mijn ondoorzichtige thermosbeker te gieten en heb daar de rest van de avond uit gedronken.
Ik begon met koken. Ik had rijst en sperziebonen voor drie dagen. Nu zag ik de Deen worteltjes eten en blikken op mij werpen. Heb je al gegeten zei ik. Nee. Ga je dat nog doen zei ik. Nee. Ik heb niets. En hier ontbrande mijn gevoel dat ik iets terug kon doen voor alle mensen die zo goed voor mij zijn geweest. “Eet met mij mee!” Ik heb genoeg! En geweldig hoe blij hij was met kale rijst en sperziebonen. Uiteindelijk was t zo’n toffe peer (of had ik al zoveel wijn op) dat ik hem ook de fles aanbood.

De volgende ochtend werd ik wakker en zag de Deen met een andere man aan onze picknicktafel zitten. Deze man had donkere, ondeugende ogen, een verwarde bos zwart haar en kwam uit een Noors jaren ‘70 kampeerbusje. Ook alleen op reis. Als dank voor het karige maal de avond tevoren had de Deen warme broodjes van de bakker en sinasappelsap voor mij gekocht.
Weer steeg mijn vertrouwen in de mens als ras.

De man met verward haar bleek een geëmigreerde Engelsman te zijn. Hij vroeg of ik naar Kopenhagen wilde. Ik had niets bedacht, dus dat wilde ik wel. Zo zat ik een half uur later bij deze Noorse Engelsman, die mentaal net zo verward is als zijn haar, in de auto op weg naar Kopenhagen. 5 keer fout gereden, een club rennende mannen in rood T-shirt gevolgd omdat hij wilde weten waarom ze renden, gestopt bij een suffe toren die hij op de foto wilde zetten en veel interessante gesprekken later, moesten we afscheid nemen. Philip en ik houden contact.
Kopenhagen is een stad als alle andere. Een hoofdstraat met alle toeristen, een alternatief centrum met alle alternatievelingen, een woonwijk met inwoners, en een sociale sfeer waar ik zowel van houd als ik juist probeer te ontvluchten.

Terug met de trein naar de camping en de volgende dag naar de andere kant van Denemarken. Met een veerpondje naar Fanø. Een soort Terschelling, met nog meer Duitsers. Hier geen last van mensen die met mij willen praten. En heerlijk tot mezelf gekomen, paar boeken uitgelezen en de resterende rijst opgegeten.

De volgende dag vroeg weg om op mijn laatste dag van het interrailen nog thuis te komen. Alle stoptreinen, de nodige vertraging, jankende kinderen, telefonerende mensen en zeurende pubers overleefd en zo stond ik 10 uur later weer in Zuidhorn op het perron en werd door mijn geweldige tante opgehaald, want om die laatste 10 minuten nog te gaan liften zag ik echt niet meer zitten.
Uitzicht over zee
De club rode mannen

Fano